Hallo Janett, ik zou graag meer willen weten over jouw leven in de context van Nicaragua. Ben je geboren in Matagalpa?
Ja, ik ben Matagalpina. Ik ben geboren op 31 juli 1962, 62 jaar geleden. Mijn moeder is ook Matagalpina. Mijn moeder komt eigenlijk uit San Isidro (regio Matagalpa). Toen haar moeder stierf, verhuisde ze naar Matagalpa. We hebben ons hele leven bij een tante gewoond, tante Mercedes. Mijn moeder kreeg mij toen ze 18 jaar oud was. Maar eigenlijk woonde ik altijd, langer bij mijn tante. Ik ben van de ene vader, mijn andere broer en de andere kinderen zijn van andere vaders. Ik wilde daarom niet bij mijn moeder wonen en uiteindelijk bleef ik bij Mercedes wonen. Ze was als mijn moeder. Als kind heb ik altijd bij Mercedes gewoond. Ze heeft vijftien jaar lang voor mij gezorgd. En haar dochter, Isabel, was als een zus, wij groeiden samen op. We zijn nichten, maar eigenlijk zussen. We leefden samen.
We woonden destijds in de wijk El Progreso, we zijn ook een keer verhuisd binnen deze wijk. Ik heb mijn hele basisschool op de school El Progreso doorgebracht, de school in die wijk. En daarna de middelbare school, het Instituto Nacional Eliséo Picado (INEP). Dat was toen de enige middelbare school. Bovendien konden wij, arme mensen, ons destijds geen privéschool veroorloven. Maar ik ging tenminste naar school. Met een schrift en een potlood in de hand, ik had niet eens een tas om het in te stoppen, maar dat heeft me nooit gestoord, zo was het toen.
Het was in de jaren ‘60 en ‘70 dat Somoza aan de macht was. Er was veel repressie en er waren verdwijningen van mensen. Het Frente Sandinista werd georganiseerd. Carlos Fonseca kwam uit Matagalpa en Tomás Borge ook. Matagalpa was als het centrum van de guerrilla en van vele protesten. Isabel sloot zich aan bij de studentenstrijd. Ze is twee jaar ouder dan ik. Ze sloot zich aan bij de strijd en ons huis was dus een huis van bijeenkomsten en medewerkers van het Frente. Mercedes deed er ook aan mee. Er werden bij ons dingen bewaard. Soms wapens of documenten.
Opstand
Later, in 1978, vond de opstand plaats, van jongeren. Isabel moest naar de guerrilla, die leefden in kampementen in de bergen en trainden zichzelf daar, omdat ze naar haar op zoek waren en gevaar liep. En toen sloot ik me ook aan bij de studentenstrijd. We namen de school over en eisten beter onderwijs, respect voor jongeren en het recht om ons te organiseren. Daarna zat ik met zes guerrillastrijders, met een paar bekenden, bij de beweging Pueblo Unido. Er was ook een vereniging van middelbare scholieren. Ik zat op een militaire school waar je met wapens leerde omgaan.
We waren dus georganiseerd, we protesteerden en vochten. Ik zat soms meer op school dan thuis. De Nationale Garde arriveerde en wilde ons eruit halen, we moesten daar weg en ons verstoppen. Bij veel demonstraties gooiden ze traangasbommen naar ons. Ze wilden ons gevangennemen, we verstopten ons, mensen hielpen ons om ons te verstoppen. Zodat de politie ons niet kon pakken. Ons huis was altijd een veilige plek, waar we dingen, documenten, wapens en zo bewaarden. En ik deed mee als medewerker, ik was er inmiddels onderdeel van. In 1979 vond de opstand plaats. Ik heb deelgenomen in de buurt van de begraafplaats. Bij de brug hadden we een loopgraaf, we waren een groep die die plek verdedigde.
Isabel was met een colonne guerrillastrijders op weg naar Managua. Dat was onderdeel van een nationale opstand. Overal waren activiteiten: in Matagalpa, Estelí, Masaya, Ocotal, León, Chinandega, in de belangrijkste steden. Dit was de strijd tegen Somoza. De Nationale Garde verzwakte, omdat er veel gelijktijdige aanvallen waren. Ook in Matagalpa ging het zo. De Garde werd zwaar aangevallen en ze trokken zich terug. Op de heuvel El Calvario waren enkele scherpschutters, maar het was gelukt om hen te overmeesteren, ze werden gedood of vertrokken en Matagalpa was bevrijd. Daarna werden stap voor stap andere steden en dorpen bevrijd en zo verder, todat ze op 19 juli in Managua allemaal samen kwamen.
Ik ben niet naar Managua gereisd. We konden niet allemaal gaan, een deel moest blijven. Op de plek die wij als uitvalsbasis hadden, het heette het Casa del Pueblo (Volkshuis). Bij de ingang van Matagalpa hadden we een soort basis, een militaire post. Dus ik moest blijven en anderen gingen naar Managua.
Transformatie
Ik bleef in het leger, ik was lid van het leger. We waren allemaal lid van het leger. Dit was in 1979 en 1980. Ik denk dat ik ongeveer een jaar in het leger heb gezeten. Maar we gingen ook structuren vormen binnen het Frente Sandinista voor de organisatie van het volk en ik maakte daar deel van uit, ik had wat organisatie-ervaring en ik kon mee naar Managua om daar met het Frente te werken. Ik ging waar ze me zeiden te gaan. Ik werkte later een tot twee jaar samen met Mónica Baltodano voor het ministerie van Organisatie. Het ging om het organiseren van afdelingen en structuren in het hele land binnen de partij, het organiseren van alle militanten, het opbouwen van de organisatie van het land als het ware. Ik werkte en woonde toen in Managua, bij een vriendin uit Matagalpa. Het was in een huis waar we allemaal samenwoonden.
En toen vertelden ze me: "er is een politieke school waar je naartoe kunt gaan". Dat was in Rusland, zes maanden in Rusland, de Sovjet Unie. We waren met een groep van 30 jonge mensen om politiek gevormd te worden. En daar stond ik op het Rode Plein, we gingen naar Lenin, naar zijn mausoleum. We gingen naar Leningrad met zijn ‘witte nachten’ en Kazachstan. En nou, ik dacht dat Rusland, nou ja, dat alles daar mooi zou zijn, met het socialisme, iedereen gelijk. Maar ik was geschokt toen ik mensen zag die bedelden. Hoe kan dat hier zijn? Alles was toch voor iedereen gelijk? Wij bestudeerden het kapitalisme, we bestudeerden Marx, Lenin, we bestudeerden alles wat te maken had met de revolutionaire transformatie, waarbij geen kapitalisme meer bestond. Er zou sprake zijn van distributie, en wij waren voorstander, aan het begin van de revolutie, van de distributie van de rijkdom, van de mensen die land bezaten. We zijn allemaal gelijk en iedereen moet de kans hebben om te studeren; gratis onderwijs, gratis gezondheidszorg. Die transformaties wilden wij, dit was een concept voor ons, jonge mensen, waar we voor vochten, met veel discipline. We deden alles wat ze zeiden.
Mijn motivatie was die transformatie, een rechtvaardige wereld, een wereld voor iedereen, met gelijkheid, en de strijd tegen het kapitalisme en de rijken. Ja, dat was het, natuurlijk was het dat. Mijn familie was ook arm, wij waren arm.
Toen ik terugkwam - niet iedereen kon in Managua werken - stuurden ze mij naar Matagalpa om te werken, nog steeds aan de organisatie van het Frente Sandinista. Ik werkte op het kantoor van het Frente, maar toen stuurden ze me naar Jinotega, naar een oorlogsgebied, we hebben het al over 1984, daar was de oorlog omdat de boeren daar tegen het Frente Sandinista waren. Veel boeren collaboreerden met de contrarevolutie. Waarom? Veel mensen wilden het Frente niet, omdat veel eigendommen werden onteigend: boerderijen, huizen, het werd ze afgenomen. Er waren ook mensen die familie waren van de Guardia. Mensen wilden geen militaire dienst. Ze zaten in het leger, soms zonder veel training, en veel jonge mensen stierven, dat was een realiteit, de oorlog was verschrikkelijk. Er was ook schaarste, er was een boycot tegen Nicaragua. Het was verschrikkelijk, er ontbraken veel dingen. Daarom waren de mensen niet tevreden en groeide de contrarevolutie.
Mijn vader was accountant, ik had af en toe contact met hem en met mijn zussen, we gingen wel eens ergens heen, hij gaf mij dingen, etc. Hij werkte voor een grote, rijke rijstboer, de familie Amador in Sébaco. Mijn vader werkte samen of deed iets met de contra en ze stopten hem in de gevangenis. Ze belden me en vertelden me: ze hebben hem in de gevangenis gestopt, help hem en alles, maar ik, Sandinista tot de dood, zei: "ik ga niet naar hem toe. Ik kan het niet, ik ben een Sandinist, ik kan mijn revolutionaire principes niet verraden". Ik weet het niet, op dit moment, misschien was ik van gedachten veranderd, toch? Ik kijk nu anders naar de dingen, maar op dat moment ging ik niet. Mijn zussen belden me, maar ik ging niet, het spijt me heel erg, zei ik. Daarna hadden ze een hekel aan mij, omdat ik niet hielp. Maar toen kwam hij toch vrij, uiteindelijk hebben ze hem eruit gehaald, het was onduidelijk wat hij had gedaan.
Dus ik zat in de organisatie in Jinotega, vijf jaar, denk ik. Ik was met school gestopt na het derde jaar van de middelbare school, vanwege de oorlog. Sinds 1979 ging ik niet meer naar school. Ik denk dat ik rond 1987 weer naar school ging. Toen was er zoiets als een middelbare school voor het kader van het Frente Sandinista. Ik heb foto's van dat ik een van de beste leerlingen was, op de basisschool en ook op de middelbare school. Ik zat bij de beste gediplomeerden, ze gaven me prijzen en alles, heel mooi. In 1989 raakte ik zwanger van Arlen, mijn oudste dochter. Haar vader werkte bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Oorlog
Ik was hoofd van een sector in een oorlogsgebied. Ik moest veel reizen. Ze probeerden mij verschillende keren te vermoorden. Ik had een auto toegewezen gekregen met begeleiders. Er waren enkele buitenlandse journalisten die daar wilden gaan filmen. We zaten toen in twee auto’s, maar ik ben van auto veranderd en ging met hen mee en mijn auto bleef achter. Mij was een rode auto toegewezen, maar ik ging met de journalisten mee. Er was ook een rode auto van andere mensen en er was een hinderlaag, Ze hebben die auto beschoten, ze hebben mensen vermoord. Wij passeerden en iedereen dacht dat ze mij hadden vermoord, omdat ze de rode auto hadden beschoten, en ze vertelden mijn moeder dat ze mij hadden vermoord, Het was een gekkenhuis in Matagalpa, omdat iedereen zei dat ze mij hadden vermoord, maar het waren andere mensen, particulieren, ik kende ze niet. Ze wisten dat ik daar was, maar uiteindelijk ging ik met een andere auto, wat een waanzin. Ik had het pas later door. We zijn doorgereden, hebben gefilmd, mensen geïnterviewd en toen gingen we weer terug. Dus toen ik terugkwam was het een toestand, toen ze mij zagen. Het was een engel die mij redde, omdat er uiteindelijk niets gebeurde, dat besefte ik me later wel.
We moesten toen ook veel lopen en nu heb ik slijtage in mijn knie. Ik kon 30 kilometer lopen, met een wapen, met een rugzak. We werkten met het organiseren van de boeren en voor het Frente. Dat waren vergaderingen, dat was niet zozeer het leger dat dat organiseerde. Maar we bleven militair, we moesten altijd een pistool dragen. Ik was altijd in uniform, olijfgroen, met laarzen, wapen, altijd. Wij moesten coöperaties organiseren en de mensen, om te zorgen dat zij ook dingen deden of naar bijeenkomsten kwamen, dat waren onze doelen. Ik heb daar veel aan gewerkt. De communicatie ging via radio's, zoals in het leger. Ik bleef een keer slapen in een nederzetting, waar mensen werden gemobiliseerd, en ze vielen die nederzetting 's nachts aan. Daar was ik dus ook, ik sliep altijd in uniform, ik sliep nooit zonder kleren. Omdat het een militaire zone was sliep ik in uniform, met laarzen aan, met mijn geweer naast me, op de grond, klaar. En de contra’s kwamen en iedereen waarschuwde voor de contra’s. We stonden op, met onze geweren en alles. Ze zouden komen, dus één aan één kant, een ander aan de andere kant, Uiteindelijk hebben we ons opgesplitst. Er was een heuvel, waar mensen waren. Ik zei: "ik ga daarheen om te zien wat er is", maar het was erg donker 's nachts. Ze hadden me bijna levend meegenomen, maar uiteindelijk ontsnapte ik, ze hebben mij niet gepakt en ik ging weer naar beneden en ik wachtte ergens tot het rustig was. De contra's waren al vertrokken bij zonsopgang. Toen ik terug kwam, waren er enkele mensen vermoord. Ze waren gekomen en opnieuw hebben ze mij niet vermoord. Ze doodden er meerdere, verbrandden de huizen, dat deden ze allemaal.
Wat het is met oorlog... het was logisch dat mensen zeiden: ik ga mijn land verdedigen tegen de contra's, maar de contra's waren uiteindelijk ook Nicaraguanen, boeren. De waarheid was dat het een oorlog was tussen Nicaraguaanse mensen, want maar heel weinig kwamen er uit de Verenigde Staten. Ze kwamen vanuit Honduras, van een militaire basis waar ze werden opgeleid en dat financierden de VS. Het waren mensen, boerenmensen, ook een aantal jongeren zelfs, die tegen ons vochten, dus het was een oorlog tussen Nicaraguanen, dat is waar, iedereen verdedigde zich en wij verdedigden onze principes, ons programma.
Niet bang
Wapens en financiering kwamen onder andere uit Cuba, omdat Cuba ons steunde. Veel mensen reisden naar Cuba. Anderen, ook sommige zakenlieden, waren tegen Somoza. Ze gaven financiering aan het Frente Sandinista en ook andere landen deden dat. De Verenigde Staten steunden andere partijen, omdat ze tegen het communisme waren. Er waren ook veel kaderleden van het Frente Sandinista, die naar andere landen reisden, om steun te zoeken. Iedereen had verschillende verantwoordelijkheden, en zocht steun om te overleven. Ja, het was een deel van mijn leven toen. Ik was niet bang, ik ben eerlijk gezegd nooit bang geweest. Ik koos voor de strijd tegen Somoza, ik nam een geweer, ik kwam samen met andere jongeren, misschien gaf het ons kracht met elkaar, want ik was nooit echt bang. En ik was jong, ja. En ik was de baas van veel mannen en vrouwen en ik moest mannen aansturen of een groep leiden. Wanneer je verantwoordelijk bent voor een territorium, ben je verantwoordelijk voor alles, wat het ook is, en ze luisteren naar je. Ik was een vooraanstaand leider, strijdbaar, ik kreeg twee promoties als militant. Ik ben veel met politieke vorming bezig geweest, in Managua, in Matagalpa, ik werkte aan de politieke formatie. Daarom ken ik iedereen van het Frente en bijna iedereen kent mij. Zo iemand als Sadrach (burgemeester van Matagalpa) heeft deze ervaring niet, hij zat bij het Rode Kruis en kwam later bij het Frente als professional. Dus iedereen kende mij, zelfs mensen uit het leger kenden mij. De jonge mensen van nu natuurlijk niet meer, maar toen. We deden alles samen en we kenden elkaar.
Tot 1989 zei ik: "ik wil geen kind krijgen, omdat het oorlog is, ze gaan mij vermoorden, wat zal er van mij worden". Maar ik werd dus toch zwanger, dat was moeilijk. En toen we in 1990 de verkiezingen verloren, dat was een moeilijke tijd, een moeilijk leven, teleurstellend.
Mijn huis
Maar goed, op een dag zouden ze ons uit huis zetten, omdat we niet hadden betaald. Het gaat om het huis van mijn familie, dus waar mijn moeder woonde. Wat nu? Ze vertelden mij: "we gaan een paar huizen bouwen in de wijk Santos López en we gaan je een huis geven". Dat was in 1986, zoiets, 1987. Ik was in Jinotega, maar het was ook mijn probleem. En ze gaven mij een huis, ik heb de brief nog waar het in staat. Ze gaven mij de sleutel, we hadden geen water, we hadden geen elektra, maar niets aan te doen. Het was een nieuwe wijk, zonder straten, zonder iets, maar we moesten daar beginnen. Sergio kwam naast me te wonen. Ook een paar andere collega’s kregen een huis in die wijk, ook technici, mensen van instellingen, van organisaties, zorgpersoneel en de vrouw van iemand die gestorven was, een boer die had gevochten. Dus wij woonden daar allemaal en sommigen verkochten hun huizen weer, maar anderen niet. We behoorden tot het Frente Sandinista, die buurt, wij allemaal die daar woonden.
Dus, ik kreeg mijn huis. Dat huis werd nog een behoorlijk probleem. Mercedes woonde er, maar het stond op mijn naam. Maar zij ging daar dus wonen, en mijn moeder ook. Ik kwam af en toe langs vanuit Jinotega als ik kon. Ik ging eind 1989 weer in Matagalpa wonen toen ik mijn dochter kreeg, ik vroeg overplaatsing aan. Arlen werd geboren op de 12e november en de verkiezingen waren in 1990, in februari, maar toen was ik dus al in Matagalpa en woonde ook in dat huis. En Mercedes, toen ze ziek was, zei: "dit is mijn huis, ze gaven het aan mij, dit is mijn huis". Het was een moeilijke discussie. En met mijn moeder had ik dat ook, dat kwam door mijn moeilijke broers. Ik was altijd bij het leger en er was militaire dienstplicht en mijn broer moest die gaan vervullen, net als iedereen, maar hij deserteerde. Hij wilde niet, hij wilde ook niet studeren, hij heeft het niet afgemaakt, een ingewikkeld leven, moeilijk. Hij dronk ook en gebruikte drugs, mijn andere broer ook, allemaal moeilijk, het leven in die tijd. Maar ik stelde me vastberaden op, ik was ook voor mijn broers niet bang. Ze moesten iets doen, vond ik, en niet de boel verstieren en drinken, ze moesten werken. En mijn moeder was daar ontstemd over, ze zorgde voor ze, vond het geen probleem en nam het voor ze op. "Hoezo", zei ik, "waarom kunnen zij niet studeren en werken?" Maar mijn moeder zei: "dit is mijn huis en zij kunnen hier blijven, ze hoeven niet weg". Maar ik deed de boodschappen en ik betaalde alles. Mijn moeder had geen werk, ze waste en strijkte voor anderen en daar verdiende ze maar heel weinig mee. Ik stuurde altijd eten op, bonen, blikjes, alles wat ze mij gaven, ik stuurde het altijd naar huis. Dus in mijn huis was altijd van alles, ook al was ik er niet. Ik geef haar nog steeds elke week geld voor de boodschapen. Mijn zus draagt maar een beetje bij omdat ze niet veel verdient, zegt ze. Dus ik koop alles.
Dus er is altijd discussie geweest over het huis. De papieren staan op mijn naam, ik wil er niet telkens een discussie over en ik wil geen mensen in mijn huis die niets doen. Ik hield voet bij stuk en ik bleef standvastig, maar het bleef een leven lang een discussie. Misschien vinden mensen me streng, maar iedereen weet dat het mijn huis is en dat zij dronken en verslaafd waren. Mijn broer zat gevangen wegens drugs. Op een dag kwam de politie bij mij thuis en ze belden mij dat ze het huis omsingelden omdat mijn broer drugs zou hebben. Ze hebben de drugs niet gevonden, maar iedereen zei dat hij drugs had en ze namen hem gevangen. Ze doorzochten mijn hele huis, ze namen dingen mee, het was een puinhoop, maar ik was niet van plan om in discussie te gaan. Ik ben ook niet op bezoek gegaan bij mijn broer, "ik ga niet", zei ik. Maar iedereen kende mij. Dus later, toen hij voor de rechter stond, zei Bernardo, de rechter, tegen me: "ik wist niet dat hij je broer was, had dat gezegd". En toen lieten ze hem direct vrij, omdat hij mijn broer was. Dus het is ingewikkeld, het gezinsleven. Ik wilde me er niet mee bemoeien en geen misbruik maken van mijn positie, het was zijn leven. Dus mijn moeder was ontstemd, want het zijn haar kinderen. En ik dan? Als ik thuis kom, maakt ze geen eten klaar en als zij thuiskomen staat ze gelijk op om te koken. Ik wilde niet (meer) telkens in discussie hierover.
Organisator
Dus we waren gebleven in 1989 en 1990, het verlies van de verkiezingen. Dat was een moeilijke tijd voor ons, voor iedereen. Ik ging studeren aan de universiteit, Landbouwkunde. Toen zeiden ze tegen mij: "we gaan je een studiebeurs geven" (vanuit het Frente). Zij betaalden voor mijn studie en om naar Managua te gaan, samen met anderen. In Matagalpa was nog geen universiteit of die studierichting was er nog niet, dat kwam later. Dus ging ik naar Managua om te studeren. Aangezien we de verkiezingen verloren hadden, waren er mensen uit de solidariteitsbeweging die een project begonnen om mensen van het Frente te steunen, zodat ze verder konden studeren. Dus ik zat zonder werk, het Frente kon nu veel minder mensen in dienst houden. Toen werd ik op het ministerie van Bouw gezet. Ik heb daar een jaar gewerkt, in Matagalpa, ook al heb ik niet veel gedaan, maar ze hebben mij daar een baan gegeven. Maar de nieuwe machthebbers, de liberalen, hebben me ontslagen omdat ik van het Frente was.
Ik kende mensen bij de politie, vrienden, Roberto, González en Ana, die zeiden: "kom hier bij ons werken". Ok, ik ging bij de politie werken. Maar ik vond het niet leuk om bij de politie te zijn, organisatiewerk lag me beter. Dat was in 1990, 1991. Die studie liep door, dat was in deeltijd. Dus ik wilde niet bij de politie blijven. In de wijk probeerden we dingen te bereiken; we voerden een strijd voor water, dat hadden we nog steeds niet. Vanuit het Frente bleven we dingen organiseren voor en met de mensen, van onderop, dat was de boodschap van Daniel (Ortega). Sommige mensen verlieten het land, wij bleven, wij bleven werken, hoewel er discussies waren met de liberalen. We bleven dingen organiseren. Ik hield van werken met gezondheid, met gemeenschapszaken in de wijk. Toen zei Seidi, zij werkte met Sergio bij de Movimiento Comunal: "kom bij ons werken". Ook al hadden we verloren, de oorlog en alles, de organisaties bleven functioneel. De Movimiento Comunal was opgezet in 1988, door het Frente. Eerst heette de organisatie CDS. Sergio werkte daar ook voor en we waren bevriend. Dus zij zeiden: "kom bij ons werken". Betaald? vroeg ik. Ik had immers een kind. "Ja, we gaan je betalen". Ok, dus ik ging daar werken. Ik werkte als organisator. We voerden strijd voor betere huisvesting, voor de legalisering van woningen, Wet 85.86. De liberalen wilden onze huizen afpakken, het was een groot gevecht, met mobilisaties. Ze wilden ons in de gevangenis stoppen, tegen mij liep ook een arrestatiebevel. Het was een hele toestand met de overheid, met de liberale regering. Het was een verschrikkelijk gevecht, maar uiteindelijk hebben we veel conflicten gewonnen. De woningen werden gelegaliseerd en we werkten verder voor de gezondheid van de mensen. Het was een sociale strijd nu, in de jaren negentig. Dus ik werkte als organisator en later maakte ik deel uit van het team en later werd ik gemeentelijk coördinator.
We waren toen een sterke, gewaardeerde organisatie in Matagalpa, altijd werkzaam in de wijken en de gemeenschappen. We hebben projecten gedaan op het gebied van elektriciteit en allerlei andere zaken, omdat het volk geen regering had. De regering wilde heel veel plaatsen niet steunen en de gemeente ook niet. Sommige zaken stemden we wel af met de gemeente. De gemeente had natuurlijk zijn eigen projecten, maar wij deden ontzettend veel activiteiten, veel dingen. Er waren ook solidariteitsgroepen. Het Frente was er niet meer, dus met wie konden die groepen dan samenwerken? Met de maatschappelijke organisaties. De Movimiento Comunal nam het contact met het solidariteitscomité in Spanje over, met Sabadell. Wij werkten ook met Wuppertal, met Olou in Finland, dat was ook een zusterstad. En met Tilburg. Don Alejandro was daarvoor toen verantwoordelijk, maar soms coördineerden we wat dingen. Er was ook nog een contact met Lewisham in Engeland. Er waren dus ongeveer acht zustersteden, en wij namen dat allemaal op ons, we hebben met hen veel projecten gedaan, gecoördineerd, etc. Deze liepen dus niet meer via de gemeente. We coördineerden wel een aantal dingen met de gemeente, bijvoorbeeld als we een vergunning nodig hadden voor de realisatie van een waterproject of een elektriciteitsproject of bij de bouw van huizen en wijkcentra, wij hebben veel gemeenschapscentra gebouwd. Dus er was heel veel solidariteit, al deze steden in Europa en ook andere organisaties deden projecten met ons (de Movimiento Comunal). Dus we waren sterk in deze periode, de jaren ‘90 en 2000. We deden ontzettend veel dingen voor Matagalpa, voor de ontwikkeling van de stad.
Raadslid
Sadrach (de huidige burgemeester van Matagalpa) leerde ik kennen tijdens de interne verkiezingen van de Movimiento Comunal, toen ze mij als coördinator kozen. Hij kwam om de verkiezingen te valideren en hij was bij de stemming. Dus we kennen elkaar al lang. Er waren toen veel burgemeesterschappen verloren gegaan, overal zaten nu liberale burgemeesters. Toen zeiden wij: "laten we naar mensen zoeken, om de gemeente Matagalpa terug te krijgen". Toen kwam Sadrach in beeld en ook de docent Luis Octavio Castillo en ze stelden mij voor als gemeenteraadslid omdat veel mensen mij kenden en ik veel had gedaan voor Matagalpa en voor de Sandinistische strijd. We hebben toen dus veel samengewerkt om de grootste te worden. En we wonnen. Bolaños was toen president. Omdat ik vaak kritisch was, zei Sadrach later: "je wordt niet nog een keer gemeenteraadslid, je moet (partij)discipline hebben en je committeren aan afspraken". Dat was moeilijk voor mij. Ik zat in sociale organisaties, ik zat bij de feministen, ik deed mee aan de strijd voor vrouwenrechten, ik had een andere visie op de dingen. Dat vonden ze niet leuk en daarom kon ik niet nog een keer raadslid worden. Je moet veel discipline hebben, zoals in de jaren ‘80. Als ze zeggen “doe dit”, moet je het doen, punt uit, je kunt niet in discussie gaan. Ze gaven mij daarna wel een onderscheiding voor mijn verdiensten, die erkenning was er wel, dat was mooi.
Ook in 2018 was het moeilijk, ik was het met veel dingen niet eens, maar we konden als Movimiento Comunal geen partij kiezen omdat er liberalen en sandinisten binnen de organisatie werkzaam waren. Dus het was ook lastig voor ons, die periode. We besloten om geen partij te kiezen. Op persoonlijke titel kon iedereen zich uiten, maar als organisatie waren we neutraal. Enkelen van ons gingen ook protesteren, mijn dochter ook, ik niet. Mijn broer had daar ook weer kritiek op, dat zij tegen Daniel zou zijn, dat verkondigde hij op straat, dat was ook weer een moeilijk moment. Hij is nu paramilitair voor de regering. Ik vind het niet juist dat ze mensen zoeken op Facebook om te kijken wat ze doen en ze dan vervolgen. Ik zei: "dat kun je niet doen, dat zijn vrienden, metgezellen". Ik ging maar niet meer met hem in discussie. Hij woont nu niet meer in mijn huis, we groeten elkaar wel, maar we houden afstand. Dat is ook weer moeilijk, deze situatie, weer een conflictueuze situatie.
Ik heb mijn principes. Ik ben Sandinist en revolutionair, dat kan niemand van mij afnemen, ik ben militant geweest voor de goede zaak. Ik ben tegen corruptie, ik ben er tegen dat een persoon altijd aan de macht blijft, ik ben het daar niet mee eens, Er zijn ook andere mensen die dat kunnen. Zij profiteren, ik ben het daar niet mee eens. Er waren dus weer veel discussies, ook met collega's en met buren. Sommigen verlieten Nicaragua, ze vertrokken om ergens anders heen te gaan. Maar er zijn er ook die er nog zijn, maar zij zijn bang om zich uit te spreken, heel bang. Het Frente accepteert geen kritiek, Rosario (vice-president en vrouw van Ortega) accepteert het niet. Het is dus moeilijk.
Ik heb tegen mijn dochter gezegd: "ik heb mijn moment gehad, ik heb alles meegemaakt en alles gedaan voor mijn land, ik ga mijn laatste jaren rustig leven, ik ga niet aan deze discussie deelnemen". Dan kunnen ze iemand sturen om mij te doden, ze kunnen mij gevangen nemen, ik wil dat niet. Ik houd me nu dus gedeisd.
Dromen
Het Frente doet goede dingen, de gezondheidszorg en het onderwijs zijn gratis, dat erken ik. Maar ze hebben ook veel slechte dingen gedaan, veel dingen die niet juist zijn, tegen collega's. De corruptie gaat door, het nepotisme gaat door, de familie Ortega wil de enige zijn die de leiding heeft, de absolute controle, er is geen partij meer, er is niets meer. Er zijn geen toespraken meer, er is geen ledencongres meer, er is niets meer, alleen wat er gezegd wordt door één persoon en dat is het. Ik ben het daar niet mee eens. Al die jaren was ik gemotiveerd en droomde ik van een ander Nicaragua, met mogelijkheden voor iedereen. Dus al mijn dromen bleven een droom. Veel dingen zijn niet vervuld. En nu heb ik geen energie meer om de strijd aan te gaan. Nu is het aan deze generatie jongeren. Ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen en mijn leven gegeven. Ik wil niet gevangen zitten, Ik wil niet vermoord worden noch dat ze me laten verdwijnen en ik wil niet nog meer vijanden hebben dan de vijanden die ik al heb. Toen stond ik er anders in, ik was nergens bang voor; dat ze mij zouden vermoorden of gevangen nemen, dat deed er niet toe. Maar nu is het anders.
Ik blijf nog actief in het Comité Mano Vuelta voor de Stedenband, als vrijwilliger kan ik mijn bijdrage leveren en helpen. Door de bezoeken aan Tilburg, de eerste keer samen met Margine, hebben wij ons gecommitteerd om dit Comité te organiseren. Margine vroeg mij om te helpen en ik zei: natuurlijk, ik help je. En dat hebben we gedaan, we hebben gebouwd, op een serieuze manier, we schreven projecten, evaluaties. We hebben geprobeerd ervoor te zorgen dat alles goed werd gedaan, dat alles transparant is. Ik houd ervan als dingen transparant zijn, dat we de dingen vervullen zoals afgesproken. We gaan niet één ding zeggen en andere dingen doen. Dat is niet juist, dat klopt niet. Dus, nou ja, ik vind het leuk en natuurlijk deed het ons veel pijn toen ze de juridische status van de Movimiento Comunal afpakten. We huilden, het was een trauma, net als in de jaren negentig, een verschrikkelijk trauma, omdat onze mederevolutionairen dit ons aandeden. Wij zeiden: "we hebben niets gedaan", we waren neutraal, we waren niet voor of tegen de een of de ander, maar het was voor hen niets waard.
Dus moeilijke momenten heb ik meegemaakt, hoe zou ik nu nog mee kunnen doen met het Frente, met alles wat is gebeurd? Moeilijk. Maar ik ga door met de strijd, ik draag bij wat ik kan. Ik zei dus: "ik heb mijn tijd gehad", ik ben nu ook met pensioen, op mijn 62e. Dus ik heb nu een klein beetje geld om van te leven en mijn dochters zijn al groot, zij kunnen nu mij helpen en dat doen ze ook, ze dragen bij aan de kosten van het huis. Van mijn pensioen kan ik eigenlijk alleen eten kopen, alles is zo duur geworden. Ik heb ongeveer 200 dollar per maand (8.000 pesos). Het pensioen is 40% van het laatste salaris dat je had. Het is heel weinig dus. Daarom willen docenten niet met pensioen, want ze verdienen 8.000 pesos en 40% daarvan is veel te weinig, hoe ga je daarvan leven? Ik ben wel verzekerd, ik kan naar de kliniek gaan en medicatie krijgen indien nodig. En ik geef het minimum uit. Om te eten natuurlijk en voor sommige dingen. En als het nodig is vraag ik mijn dochters om bij te dragen. En als iemand mij om hulp vraagt, help ik.
Ik heb dus veel meegemaakt, veel strijd, waaronder de feministische beweging. Ik was bij mobilisaties en demonstraties, ik kwam op voor de rechten van vrouwen, voor de rechten van boeren, voor de revolutie. Mensen erkennen mijn werk heel erg. Als lid van de Movimiento Comunal deden we mee aan belangrijke overleggen, zoals het gemeentelijke Ontwikkelingscomité. We maakten samen een ontwikkelingsplan (CdeMat). Ook waren wij lid van het comité voor de provincie Matagalpa, we droegen bij aan die plannen, we waren lid van de Kindercommissie. Als raadslid heb ik gewerkt aan belangrijk beleid voor gendergelijkheid en voor een vrouwensecretariaat bij de gemeente om programma’s ten gunste van vrouwen te maken. Bijvoorbeeld als een vrouw slachtoffer is geworden van mishandeling en snel en dringend hulp nodig had.
Als Movimiento hebben we toen ook voorstellen gedaan voor stadsplanning, voor de legalisering van nederzettingen. We droegen bij aan zaken die belangrijk waren voor de ontwikkeling van het land, ook bijvoorbeeld aan het nationale overleg over risicomanagement en de alliantie tegen klimaatverandering, Sergio was lid, ik was ook lid, we hebben op nationaal niveau belangrijke voorstellen gedaan over risicobeheer, over de bescherming van kinderen. Vanwege de Hormiguitas, een project van de Movimiento Comunal, maakten we deel uit van allianties van werkende kinderen, We hebben ook politieke voorstellen gedaan, ten gunste van de kinderrechten. Als organisatie waren we dus heel belangrijk en hebben we veel thema’s gecoördineerd voor Nicaragua.
Prijs
Vanwege deze contacten hebben we internationaal heel wat bezoeken gebracht. We hebben ook een prijs van de Verenigde Naties gewonnen vanwege onze strijd tegen armoede en voor de gezondheid van vrouwen. Een van ons ging naar de Verenigde Naties, naar Ban Ki-moon, ik denk dat het in 2009 was. Als organisatie hebben we dus ook belangrijke onderscheidingen gehad voor het werk dat de beweging deed, ook wereldwijd. En we hebben veel reizen gemaakt: met Sergio, met jongeren, met Chilo, met vrouwen. We gingen naar Wuppertal, we gingen naar Finland, naar Oulu, naar Sabadell. Dat was leuk, maar er was altijd het probleem van de kou. Het taalprobleem was nooit een probleem, omdat er altijd mensen waren die Spaans spraken. Dus dat was heel goed en er was altijd veel menselijke warmte, solidariteit. We hebben ons altijd goed gevoeld tijdens de reizen die we als organisatie maakten.
We gingen ook met een delegatie op bezoek bij Christian Aid in het Verenigd Koninkrijk en naar Ierland. Later gingen we met de feministische beweging, met Chilo, naar feministische bijeenkomsten in Costa Rica, El Salvador en Brazilië. Zij was ook in Bolivia en Peru. We gingen naar alle Midden-Amerikaanse bijeenkomsten, bijvoorbeeld als het ging over de kwetsbaarheid van de regio. Sergio ging naar Guatemala, El Salvador en Honduras, ook naar de COP die in Mexico was, voor het milieu. Dus ons werk werd erkend, op nationaal en internationaal niveau, al het werk dat we deden en coördineerden en de voorstellen die we deden.
Ik zei tegen mijn dochter: "ik ben tevreden met alles wat ik heb gedaan, als persoon, als jongere, als vrouw, als revolutionair, als militant, allemaal voor het algemeen belang. En toch heb ik het gevoel dat ik nog steeds een bijdrage kan leveren". Nu zitten we in de volksgezondheidsbeweging en dragen we bij wat we kunnen. We opereren nu onder de naam Acción por la Salud (Actie voor Gezondheid), zonder juridische status. We gaan voorstellen doen, kleine activiteiten die weinig opvallen, maar die iets bijdragen, voor zover we kunnen. Het gaat vooral om gezondheid en om milieubescherming, daar werken we aan en we gaan kijken of het ons nog lukt om wat dingen te bereiken. En waarom deze onderwerpen? Omdat ze altijd prioriteit hadden binnen het werk van de Movimiento. En het zijn mondiale problemen ook die linken aan de Global Goals.
Ik ga ook door met het Comité Mano Vuelta met wat ik kan. Als we niemand meer kunnen betalen voor het kantoor, nou ja, ik kan bijdragen, zeg ik, vrijwillig, bijvoorbeeld twee of drie dagen, ik heb tijd. Ik kan dus nog steeds steunen op welke manier dan ook. We zullen zien hoeveel leven deze regering ons nog geeft. Maar als we geen juridische status meer zouden hebben, kunnen we werken als een vriendschapsgroep en dat kan niemand ons afnemen. Het verlangen om vriendschappen te hebben, kunnen ze ons niet ontzeggen, dat is onmogelijk. Hartelijk dank voor het interview.
Interview door Miranda van der Klaauw (november 2024)
